In de verwarmings- en koeltechniek leeft al jarenlang een hardnekkige aanname: dat leren het beste gebeurt in een klaslokaal, met een lange PowerPointpresentatie of een studieboek dat opengeklapt op de werkbank ligt.
Decennialang was dat de standaard. Monteurs volgden hele trainingsdagen, kregen mondeling grote hoeveelheden regelgeving over zich heen en gingen vervolgens naar huis om te studeren voor een examen. Het is een model dat rechtstreeks uit het onderwijs komt, maar vervolgens is toegepast op een vak dat juist extreem praktisch is.
En voor veel installateurs werkt dit simpelweg niet.
De kloof tussen hoe we trainen en hoe installateurs leren
Installateurs kiezen hun vak vaak omdat ze doeners zijn. Ze leren door te zien hoe onderdelen samenwerken, door problemen op te lossen en door direct te ervaren wat er gebeurt. Dat zijn vaardigheden die je niet ontwikkelt door urenlang stil te zitten in een klaslokaal.
Toch is dat precies waar we ze naartoe sturen zodra het om certificering gaat.
Het gevolg? Een leerervaring die vaak totaal niet aansluit op de behoeften van de monteur. Technici die in het veld briljant zijn, die een storing kunnen horen, analyseren en binnen minuten oplossen, worstelen ineens met het onthouden van abstracte regelgeving uit een dikke map.
Dat is geen gebrek aan intelligentie. Dat is een gebrek aan passend leermateriaal.
Daar komt nog iets bij: tijd. Installateurs werken lange dagen en combineren dat vaak met een druk gezinsleven. Van hen vragen om meerdaagse trainingen te volgen of om ’s avonds nog geconcentreerd theorie te leren, betekent dat ze inkomsten mislopen én vrije tijd opofferen. Als het leermateriaal dan ook nog eens droog en onaantrekkelijk is, is het geen verrassing dat de motivatie daalt en slagingspercentages achterblijven.



